Gerrit II Hofmans (12)

Rotterdam

‘Ziekenoppasser’ in Rotterdam (2)

In april 1880 stond Gerrit terecht wegens het onbevoegd uitoefenen der geneeskunst. In aflevering 10 kwamen de dagvaarding, de eis van de Officier en de ‘bekentenis’ van de beklaagde aan de orde. In deze aflevering staan de verklaringen van de getuigen centraal.

De verklaring van Anna Everdina Kraaijenbrink luidde,
‘dat zij in het vorige jaar veel hinder had van pijn in de maag en geen baat vindende bij geneesheeren of hun middelen is gegaan naar den beklaagde en dezen heeft gevraagd om raad, dat deze haar heeft gezegd dat zij moest gewreven worden,–  dat zij getuige zich daarop door hem heeft doen wrijven ter hoogte van maag en rug, elken avond behoudens des zondags, een paar maanden achtereen, het laatst van vorig jaar en gedurende de eerste 14 dagen van dit jaar,–  dat de beklaagde die wrijvingen deed met eene bruine sterk riekende stof en ook inwendige middelen haar heeft doen innemen, namelijk stroop met blom van zwavel, in het begin smorgens en savonds, later eens per dag,–  dat zij een enkele keer ook pillen van beklaagde heeft gekregen en die heeft gebruikt,–  dat zij voor elke behandeling 25 cent heeft betaald en 35 cent telkens wanneer zij van den beklaagde ook pillen te gebruiken kreeg,–  dat zij bij de hulp van beklaagde heeft baat gehad en beter is geworden.’

De huisvrouw van C. van der Meijden* verklaarde,
‘dat zij omstreeks November van vorig jaar met haar zesjarig zoontje, dat een ongemak had aan de heup, is gegaan naar beklaagde,–  dat deze haar te kennen gaf dat hij raad daarnaar wist en het kind beter zou maken,–  dat hij dertien weken achtereen dagelijks bij haar aan huis de heup van het kind met een bruine vloeistof heeft gesmeerd, in betaling daarvoor ontvangen heeft ƒ 2.– per week en geene inwendige middelen heeft doen gebruiken,–  dat het knaapje beter is geworden.’

Seidje de Lange verklaarde,
‘dat zij in 1878 een ongemak heeft gehad aan de heup, dat zij bedlegerig was geworden en op begeeren van haar man erin heeft toegestemd dat de beklaagde haar zou onder behandeling nemen,–  dat deze van November 1878 tot April 1879, alzoo ongeveer vijf maanden lang, tweemalen daags haar ten haren huize de heup met een geelachtige vloeistof heeft gewreven,–  dat hem daarvoor is uitbetaald ƒ 7.– per week, dat zij zooveel baat bij zijne hulp heeft gevonden dat zij nu weder zich kan bewegen.’

Anna Alit ten slotte verklaarde,
‘dat zij in het laatst van vorig jaar leed aan rhumatiek in het been, dat zij is gegaan naar beklaagde die haar onder behandeling heeft genomen tegen 25 cent per visite, dat zij zes à zeven weken achtereen dagelijks / op twee dagen na / aan huis van beklaagde is gekomen, dat de beklaagde haar alsdan telkens het been heeft gewreven en gesmeerd met bruine en witte vloeistoffen,–  dat hij haar ook zeide te denken dat zij, getuige kwaad in ’t bloed had en haar aanraadde stroop met blom van zwavel,–  dat zij die artikelen zelf kocht en roerde maar ééne keer op verzoek van beklaagde haar kom heeft medegebragt, dat de beklaagde te dier gelegenheid die roerde en uit een fleschje dat hij bij zich had, iets daarin deed,–  dat zij bij de behandeling door beklaagde baat heeft gehad.’

Vervolgens overwoog de Rechtbank dat de handelingen van de beklaagde…
‘… moeten gequalificeerd worden: uitoefening der geneeskunst door iemand aan wien de bevoegdheid daartoe volgens de wet niet is toegekend’
en
‘dat het overigens onbesproken gedrag van den beklaagde, en het gemis van eenig blijk dat door zijne handelingen nadeel is toegebracht, omstandigheden zijn, die het wanbedrijf schijnen te verkleinen.’

En uiteindelijk komt dan de apotheose van deze voorstelling voor vijf Heeren en één beklaagde:
De rechtbank
‘Verklaart den beklaagde schuldig aan het wanbedrijf boven omschreven, gepleegd onder verzachtende omstandigheden.

Veroordeelt hem in eene geldboete van Tien gulden en in de kosten, des noods bij lijfsdwang op hem te verhalen.

Bepaalt, dat deze boete, zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, vervangen zal worden door eene gevangenisstraf van drie dagen.’

1880.04.20 vonnis 8. detail)(jpg
Aldus gewezen bij de Heeren mrs. Heukelom vice president, van Tienhoven en van Deinse – rechters en uitgesproken ter openbare teregtzitting van voornoemde Regtbank, den 20 April 1880. Tegenwoordig dezelfde Leden/, alsmede in tegenwoordigheid van de Substituut-Officier mr. Noyon, en den Substituut-Griffier mr. Uiterwijk. [Volgen de handtekeningen (behalve van Noyon)]. In de marge nog de volgende tekst: / behalve mr. van Deinse, door wettige redenen verhinderd. gepar. [volgen de parafen van de overige betrokkenen].
__________
* In het vonnis staat ‘van der Heide’.

[29 januari 2019]

Vervolg.

Naar Inhoud.

One thought on “Gerrit II Hofmans (12)”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s